gezin

Monitor ouderbetrokkenheid in het po, vo en mbo. Tweede meting

Het doel van deze monitor is in kaart te brengen hoe ouderbetrokkenheid in het primair en voortgezet onderwijs zich heeft ontwikkeld sinds 2009. Tevens is onderzocht wat de stand van zaken is op dit gebied in het mbo.

Betrokkenheid van ouders bij het onderwijs aan hun kinderen blijkt te zijn toegenomen sinds de eerste meting in 2009. Ouders en school wisselen beter informatie uit. De ondersteuning van ouders aan hun kinderen is intensiever geworden. De groep ouders die hun kinderen dagelijks voorleest is gegroeid en de groep die hun kinderen zelden of nooit voorleest is kleiner geworden.

De ondersteuning van ouders wordt minder naarmate kinderen ouder worden. Omdat ouderbetrokkenheid ook voor oudere kinderen van belang is, zouden ouders van kinderen in het voortgezet onderwijs dit meer kunnen stimuleren. Zowel de school als de ouders zien de rol van ouders als partner van de school. Soms leven er wat ouderparticipatie betreft verschillende verwachtingen bij de school en ouders. Betere communicatie hierover draagt bij aan de kwaliteit van ouderparticipatie in primair onderwijs, voortgezet onderwijs en mbo.

Voor het onderzoek is een nulmeting verricht. De resultaten van het onderzoek zijn representatief voor alle scholen in po en vo. Van de roc’s zijn er 48 onderzocht, hetgeen een betrouwbaar beeld voor de sector oplevert.

De betrokkenheid van ouders bij de school en het onderwijs aan hun kinderen is de afgelopen jaren toegenomen. Vooral de informatie-uitwisseling tussen school en ouders is verbeterd ten opzichte van 2009:

  • Ouders met kinderen in het po en vo vragen de school vaker hoe ze hun kind thuis kunnen helpen.
  • In het po worden ouders beter geïnformeerd over de manier waarop ze hun kind thuis kunnen ondersteunen.
  • Ouders in het po zeggen dat ze vaker tips en richtlijnen van scholen krijgen.
  • Po- en vo-scholen gebruiken vaker digitale informatie om ouders te stimuleren hun kind thuis te ondersteunen.

De ondersteuning die ouders hun kinderen bieden is niet aantoonbaar intensiever geworden. Het praten over school en helpen bij huiswerk is gelijk gebleven. Wel zijn ouders meer gaan voorlezen: in 2012 leest 40 procent van de ouders in het po hun kinderen dagelijks voor, in 2009 was dat 28 procent. In de zelfde periode is het aandeel ouders dat hun kinderen zelden of nooit voorleest gedaald van 32 naar 19 procent.

Ook op het vlak van ouderparticipatie is vooruitgang geboekt. Ouders die participeren in inspraakorganen (formele ouderparticipatie) in het po in 2012 vinden dat ze beter door de school worden voorbereid op hun taak. Positief is dat het voor vo-scholen makkelijker is geworden om ouders bereid te vinden deel te nemen aan inspraakorganen.

Pedagogisch partnerschap

De rol van de ouder als pedagogische partner  vinden scholen belangrijk. Ouders hebben wat dit betreft in grote lijnen dezelfde visie als de scholen. Zij zien zichzelf in de eerste plaats als partner, niet als onderwijsconsument. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de waarde die wordt gehecht aan communicatie over de vorderingen van de kinderen, zoals de 10-minuten gesprekken op de basisschool. Ouders hechten aan tweezijdige communicatie. Praten over de waarden die op de school gehanteerd worden, is van belang voor ouders in zowel po, vo en mbo. In het basisonderwijs gaat het daarbij om andere thema’s, bijvoorbeeld tegengaan van pesten, dan in vo en mbo waar het bijvoorbeeld gaat over tegengaan van schooluitval. Ouders en school blijken grotendeels op één lijn te zitten wat betreft pedagogische waarden.

Didactisch partnerschap

Ouders kunnen een belangrijke rol vervullen door hun kinderen te ondersteunen bij hun schoolwerk. Alleen al door met ze te praten over school. De overgrote meerderheid van de ouders doet dit. Ongeveer de helft van de leerlingen wordt ook door een ouder daadwerkelijk geholpen bij het huiswerk. Opmerkelijk is dat leerlingen de hulp van hun ouders op dit punt als intensiever inschatten dan de ouders zelf. Als ouders onvoldoende ondersteuning kunnen bieden, komt dit doordat ze laag zijn opgeleid, weinig tijd hebben en/of niet goed begrijpen wat er op school gebeurt. De ondersteuning die ouders bieden wordt minder intensief naarmate kinderen ouder worden. In het vo wordt nog wel veel geholpen met huiswerk, in het mbo aanmerkelijk minder. Mbo-deelnemers spreken al lang niet meer dagelijks met hun ouders over school.

Het didactisch partnerschap houdt onder meer in dat de school ouders helpt hun kinderen te ondersteunen. Ouders zijn niet onverdeeld tevreden over de informatie van de school, vooral niet in het vo en het mbo. Dat de ondersteuning door ouders na verloop van jaren minder intensief wordt, wil niet zeggen dat het belang ervan minder groot wordt. Met meer hulp van de school kunnen ouders hun rol als ondersteuner wellicht beter vervullen.

Formele ouderparticipatie

Over de invloed van formele ouderparticipatie, via de MR, zijn ouders matig positief. Ruim de helft van de ouders vindt dat ze enige invloed hebben. De andere helft twijfelt daaraan. Toch zeggen de scholen waardering te hebben voor de inspraak en de invloed van ouders, vooral als het gaat om het schoolbeleid, kwaliteit van het onderwijs en pedagogische thema’s, zoals pesten. Dat ouders invloed hebben op het curriculum vinden scholen minder wenselijk. Dit zegt wellicht iets over de grenzen van didactisch partnerschap.

Informele ouderparticipatie

Het verlenen van vrijwillige hand- en spandiensten door ouders verloopt over het algemeen naar tevredenheid. Ouders in het po zijn het meest actief bij het ondersteunen van de school. Een kwart van de ouders is nooit actief op dit gebied. In het vo en mbo is een minderheid van de ouders op deze manier bij de school betrokken, in het vo geeft 73% van de ouders aan nooit actief te zijn, in het mbo 81%. Ouderparticipatie in het mbo is weinig gebruikelijk; het wordt ook minder nodig geacht door ouders en scholen.

Meer informatie