gezin

De Taallijn

De Taallijn is een programma voor deskundigheidsbevordering van leidsters en leerkrachten. Zij leren hoe zij door vroege, interactieve taalstimulering de taalontwikkeling van taalzwakke kinderen in van 2 tot 6 jaar kunnen bevorderen. Doel is de achterstand van taalzwakke kinderen bij de start van de basisschool en de overgang naar groep 3 zoveel mogelijk te beperken. De betrokkenheid van ouders wordt gestimuleerd door het gebruik van een gezinsportfolio.

Taallijn in het kort

De Taallijn richt zich op vijf speerpunten: mondelinge taal, werken aan woordenschat, beginnende geletterdheid, ICT en multimedia en ouderbetrokkenheid. Taallijn is vooral een manier van werken. Leidsters en leerkrachten leren een werkwijze aan om spelenderwijs aandacht te besteden aan taalontwikkeling; hoe ze situaties talig en interactief kunnen maken. In de aanpak van Taallijn is er veel aandacht voor taalproductie en feedback, voor het werken aan woordenschatontwikkeling en voor het werken aan taalontwikkeling door  interactief voorlezen en de inzet van de computer.

Taallijn en ouders

De Taallijn stimuleert ouderbetrokkenheid vooral via een gezinsportfolio: leidsters en leerkrachten informeren ouders over de doelen en de werkwijze van het gezinsportfolio. Ouders leveren daar zelf een bijdrage aan door werkjes, foto’s en andere producten bij te plakken. En de (taal)ontwikkeling wordt regelmatig met de ouders besproken aan de hand van het portfolio. Er is ook een oudercursus ontwikkeld, waarmee de ouders worden gestimuleerd hun kinderen de Nederlandse taal te leren.

Onderzoek naar de effectiviteit van Taallijn

Fukkink, R., A. Veen en A. van Gelderen (2005) voerden een effectiviteitonderzoek waarbij interviews en observaties de volgende onderzoeksvragen hebben beantwoord:

  • Welke effecten percipiëren leidsters en andere betrokkenen?
  • Welke randvoorwaarden zijn van belang bij de implementatie van de Taallijn en welke problemen doen zich daarbij voor?

Na het uitvoeren van het onderzoek bleek dat veranderingen bij leidsters lastig zijn vast te stellen, omdat leidsters verschillende VVE-programma’s met elk een eigen aanpak uitvoeren. Effecten op de kinderen hangen in hoge mate af van de veranderingen die de Taallijn-modules teweeg brengen bij de leidsters. De VVE-leidsters zien de Taallijn minder als iets nieuws en meer als ‘opfrissing’ en verdieping, maar in de praktijk wordt meer tijd en aandacht gegeven aan voorlezen en interactie tijdens het voorlezen en er is ook meer aandacht voor de inbreng van taalzwakke peuters. Begeleiders en coördinatoren zien dat de interacties minder worden gedomineerd door de leidsters en er meer ruimte is voor de kinderen.

De opbrengsten voor de kinderen lijken vooral te liggen op het terrein van boekoriëntatie en verhaalbegrip (in relatie tot interactief voorlezen) en vergroting van de woordenschat en een betere luister- en spreekvaardigheid.  Op het sociaal-emotionele terrein is er effect betrokkenheid en het plezier tijdens het voorlezen en de woordenschatactiviteiten. Effecten op de ontluikende geletterdheid en inzicht in de functies van geschreven taal zijn moeilijker waarneembaar en liggen ook niet direct in de lijn der verwachting, aldus de betrokkenen.

Op peuterspeelzalen die niet werken met een VVE programma brengt de Taallijn wel een nieuwe aanpak. Vooral deze leidsters zijn enthousiast over de positieve aandacht voor het peuterspeelzaalwerk, maar ook de VVE-leidsters waarderen dat de focus van deskundigheidsbevordering primair gericht is op de peuterspeelzalen en niet op school.
De observaties laten deels geslaagde expliciete taalstimulering zien met veel reacties van kinderen, die het leuk vinden. Daarentegen wordt bij het voorlezen geconstateerd dat de leidsters in het algemeen de interactie domineren en dat een deel van de kinderen niet actief meedoet.

Voor de randvoorwaarden geldt dat de training een belangrijke voorwaarde is voor een goede implementatie en dat er twee (getrainde) leidsters op de groep moeten staan. Met de materialen kan men goed uit de voeten. Elementen als werken met kleine groepen en doorgaan op een thema lijken minder aandacht te krijgen dan bedoeld.

Bij het onderzoek gaat het niet om een herhaalde meting, er is geen controlegroep, er is slechts een beperkt aantal cases en er is geen statistische analyse toegepast. Methodisch kan dit – strikt genomen – niet gelden als een effectonderzoek. De onderzoekers zelf spreken van een ‘veldstudie’ of een ‘dieptestudie’ en ‘gepercipieerde effecten’.

 Meer informatie