algemeen

Minister van Engelshoven over leesbevordering, laaggeletterdheid en cultuureducatie

Minister Ingrid Van Engelshoven (D66) is nu bijna een jaar de baas op het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Ze maakt zich zorgen over het geringe leesplezier van vijftienjarigen en heeft grote ambities op het gebied van taal- en leesonderwijs. ‘Je kunt geen goed technicus
zijn zonder taal te beheersen.’

Wat is voor u het belang van leesonderwijs? En welke opgaven ziet u voor de toekomst?



‘Als je goed leert lezen, heb je daar een leven lang plezier van. Dan denk ik niet eens als eerste aan de ontspanning bij het lezen van een mooi verhaal. Dat is natuurlijk prachtig, maar lezen brengt nog zoveel meer. Kun je goed lezen, dan is het makkelijker om iets nieuws te leren. Veel kinderen lezen voor het eerst op school; daarom is leesonderwijs belangrijk. Het gaat om het vergroten van je leesvaardigheid: moeilijkere teksten snappen, of nieuwe dingen zien in een tekst die je eerst niet zag. Maar ook om het kennismaken met en genieten van verhalen, van literatuur. Door het lezen van verhalen leren mensen zich te verplaatsen in een ander. Ik hoor regelmatig dat het lezen van een boek levens heeft veranderd. Dat komt omdat je bij het lezen haast gedwongen wordt om te voelen wat de personages voelen. Op die manier doet lezen een beroep op je empathisch vermogen. En van die empathie kunnen we in onze samenleving wel wat meer gebruiken. Momenteel wordt het lesprogramma op basis- en middelbare scholen herzien. Ook het leesonderwijs wordt hierbij tegen het licht gehouden en leraren spelen hierbij een centrale rol. Ik ben heel benieuwd welke voorstellen voor verbetering er komen. We hebben het nu over lezen op school, maar de taalontwikkeling begint natuurlijk al veel vroeger – thuis, bij de ouders. Vanaf de geboorte wordt de taalontwikkeling van kinderen gestimuleerd wanneer ouders praten tegen hun kinderen, liedjes zingen of voorlezen. Je herinnert je het misschien zelf niet meer, maar ieder kind heeft aan z’n ouders gevraagd om dat ene verhaaltje nóg eens voor te lezen. Niet zo gek dus dat voorlezen de band tussen papa of mama en kind versterkt. Naast school en thuis, speelt ook de bibliotheek een belangrijke rol. Het programma BoekStart vind ik een mooi voorbeeld. Dat ondersteunt ouders en stimuleert ze om hun baby al van jongs af aan voor te lezen en te prikkelen met taal. Ouders krijgen een gratis koffertje met eerste boekjes en voorlichtingsmateriaal. Ze kunnen in de bibliotheek terecht voor tips en ontmoetingen met andere ouders tijdens speciale BoekStart-ochtenden. Ook dát draagt bij aan plezier in lezen.’


Voor u minister werd, was u wethouder in Den Haag en onder meer actief op het gebied van onderwijs. Welke kennis en ervaring heeft u meegenomen naar uw huidige functie, wat betreft cultuur, onderwijs, taal en lezen?



‘Ik heb geluk, want veel van de dossiers waar ik mij nu als minister mee bezighoud, ken ik nog vanuit de lokale praktijk. Volwasseneneducatie en de bibliotheek, zeer belangrijk voor het programma Tel mee met Taal dat laaggeletterdheid moet verminderen en voorkomen, waren bijvoorbeeld mijn verantwoordelijkheid. Die ervaring komt nu goed van pas: laaggeletterdheid is een omvangrijk en serieus maatschappelijk probleem. Weliswaar zijn er mooie resultaten behaald met Tel mee met Taal, maar er is nog een wereld te winnen. Samen met mijn collega’s van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, en Volksgezondheid, Welzijn en Sport wil ik de vervolgaanpak van Tel mee met Taal grondig aanpakken. Ik heb de ambitie om meer te doen en meer mensen te bereiken, onder wie de volwassenen die het Nederlands als moedertaal hebben, de nt1-doelgroep. Daarnaast wil ik de komende jaren in ieder geval de kwaliteit van het aanbod verder verbeteren,en zoveel mogelijk ouders die zelf moeite hebben met lezen en schrijven in beeld hebben, zodat we er samen voor kunnen zorgen dat kinderen geen vroege achterstand oplopen. Maar een aanpak met vier ministeries – want ondertussen is ook Binnenlandse Zaken aangesloten – én alle gemeenten kan niet in een paar weken worden gerealiseerd. [red. Volgens de kamerbrief van de minister van 26 maart over de voortgang van het actieprogramma Tel mee met Taal, zal het kabinet de Tweede Kamer begin 2019 informeren over de vervolgaanpak van laaggeletterdheid]. Die rol van de gemeenten is heel belangrijk. Dat weet ik vanuit mijn tijd als wethouder. Veel beleid is gedecentraliseerd: gemeenten zijn verantwoordelijk voor heel veel zaken en kunnen dus op steeds meer terreinen het verschil maken voor mensen. Daarom vind ik het belangrijk om landelijk beleid te maken dat gemeenten en lokale organisaties écht helpt.’


Wat kunnen de cultuursector en het onderwijs zelf doen?



‘Ieder kind moet de kans krijgen om te ontdekken wat hij of zij mooi vindt – en waarom. Goed cultuuronderwijs is daarbij onmisbaar. Cultuuronderwijs is geen leuk extraatje, maar een essentieel onderdeel van de ontwikkeling van ieder kind. Als jouw ouders je de wereld van kunst en cultuur niet helpen ontdekken, dan is het erg fijn dat school dat doet. Elk kind is creatief van geboorte, maar cultuureducatie leert kinderen dat creativiteit ook een bewust proces is. Dat je kunt merken dat je nieuwsgierig wordt, dat je zin kunt krijgen om zelf iets te maken. Zolang ze er op school voor zorgen dat het programma goed aansluit op de belevingswereld van kinderen. Bijvoorbeeld doordat zij zichzelf herkennen in personages. En doordat makers van programma’s weet hebben van de verschillen tussen kinderen die al hun leven lang in Nederland wonen, en die hier nog maar net geland zijn. Om cultuuronderwijs zo leerzaam mogelijk te maken, werken veel culturele instellingen en scholen goed samen. Dat vind ik mooi om te zien. Zo kunnen kinderen breed kennismaken met verschillende kunstdisciplines en in aanraking komen met nieuwe werelden en perspectieven. Programma’s als Cultuureducatie met Kwaliteit en de Bibliotheek op school dragen daaraan bij.’

De maatschappelijke roep om meer studenten techniek en life sciences is luid en duidelijk hoorbaar. Kies als je kunt toch vooral natuur, techniek en gezondheid, horen scholieren vaak: daar liggen de baankansen. Leidt dat niet onherroepelijk tot minder, of misschien zelfs wel onvoldoende aandacht voor taal en lezen in het onderwijscurriculum? Zeker wat betreft de literatuur?



‘Dat is niet de bedoeling en dat lijkt mij niet het geval. Ik blijf er een voorstander van dat mensen zichzelf breed ontwikkelen. Technische vakken, taal en rekenen: je hebt het allemaal nodig. Je kunt geen goed technicus zijn zonder taal te beheersen. En ook als wis-, natuur- en scheikunde niet jouw favorieten zijn, heb je genoeg momenten in je leven waarop je merkt dat je iets aan die kennis hebt. En ik zal zeker niet ontkennen dat het voor elk mens goed is om regelmatig de geschiedenis te bestuderen. Gelukkig besteden we op de basisschool de meeste tijd aan taal, vergeleken met andere landen. En het doet me goed dat steeds meer scholen met veel enthousiasme meedoen aan De Nationale Voorleeswedstrijd, maar ook aan de Kinderboekenweek en de reguliere Boekenweek. Wat mij wel zorgen baart, is het geringe leesplezier van Nederlandse vijftienjarigen. Het zou mooi zijn als we daar iets aan doen. Ik wil mensen graag helpen om een leven lang te lezen. Daarom heb ik de Onderwijsraad en de Raad voor Cultuur gevraagd mij te adviseren hoe we dat kunnen realiseren.’ [red. Dit advies zal naar verwachting in de zomer van 2019 verschijnen.]


Heeft lezen nog wel voldoende maatschappelijke status om dat voor elkaar te krijgen?



‘Volgens mij is die maatschappelijke status nooit weg geweest. Het is wel zo, blijkt uit onderzoek, dat minder mensen lezen en hieraan minder tijd besteden in de vrije tijd. Dat geldt niet alleen voor jongeren. Dit komt deels omdat er meer tijd wordt besteed aan andere, nieuwe media. Voor lezen, en zeker het lezen van boeken, heb je concentratie en afzondering nodig. En juist daar snakken veel mensen naar in deze tijd. Dat krijg ik ook terug in gesprek met leerlingen; dat áls ze dan lezen, de wereld om hen heen even verdwijnt. Het geeft je ervaringen die je met een ander medium, zoals film, niet kan bereiken. En dit geldt ook andersom: het kijken van een film levert weer andere inzichten op dan het lezen van een boek. Ik wil die eigenheid en de diversiteit van media vieren.’


Over de media gesproken: van Freek Vonk tot Robbert Dijkgraaf, er zijn veel populair-wetenschappelijke televisieprogramma’s. Zou u taaldocenten en literatoren willen aanmoedigen ook zo’n podium te pakken?



‘Het helpt altijd als iemand met veel enthousiasme over boeken praat. Zelf smul ik van programma’s waarin schrijvers en literatuurcritici worden geïnterviewd, of iets vertellen over hun werk. Je ziet ook dat zulke programma’s effect hebben: het boekenpanel van dwdd is hiervan een goed voorbeeld. De boeken die daarin worden aangeprezen door een aantal boekhandelaren krijgen een enorme boost.’


Tot slot, is er een leeservaring uit uw jeugd en volwassen leven, waaraan u met veel plezier terugdenkt?



‘Die zijn er ontzettend veel. Ik ben opgegroeid in Beerse, in België. De bibliotheek in Beerse noemden we de kleine bibliotheek en die in Turnhout de grote. Op mijn twaalfde had ik de meeste jeugdboeken van de kleine bibliotheek verslonden. Zo vond ik de boeken van Thea Beckman geweldig. Tegenwoordig heb ik echt alles van A.F.Th. van der Heijden. Neem nou De tandeloze tijd. De advocaat in dat verhaal, Ernst Quispel, heeft als motto “Leven in de breedte”. Dat is me altijd bijgebleven. Om zoveel mogelijk te halen uit de beperkte tijd die we hebben. Het heeft iets Bourgondisch, wat natuurlijk past bij mijn Vlaamse wortels. Maar ook de andere kant: hoe kun je het maximale uit het leven halen.’

Dit artikel verscheen in lezen magazine jaargang 13 nummer 3 2018, een uitgave van stichting lezen.