algemeen

Mensen zoals ik krijgen een bepaalde plek toegewezen

Irma van Leerdam (51) is laaggeletterd, maar worstelde zich desondanks door tal van opleidingen. Al blijft lezen een dagelijks gevecht voor haar. „Zeg ik iets meteen, in mijn eigen woorden, dan kom ik lomp over.”

Irma van Leerdam heeft een taalachterstand. Ze werd op 6 april 1967 geboren in Haaften. In 1984 behaalde ze haar lbo-diploma. Jarenlang werkte ze bij schoenmakers.

Ze volgde ondanks haar laaggeletterheid een mbo-opleiding Sociaal Pedagogisch Werk en deed vervolgens de hbo-variant SPH, die ze in 2010 voltooide. Ze ging aan de slag bij een zorginstelling, maar haar taalachterstand was een belemmering.

Ze volgt nog steeds taallessen om haar achterstand in te halen. De Stichting Lezen & Schrijven stelde haar aan als Taalambassadeur.

Voorheen zei Irma van Leerdam uit Amersfoort snel sorry. Bij onenigheid, en zelfs als ze ergens onterecht van beschuldigd werd. Liever maakte ze excuses dan dat ze zich verdedigde. „Ik kan niet zo snel de juiste woorden vinden. Zeg ik meteen wat terug, dan gaat het gesprek vaak de verkeerde kant op.”

Laaggeletterdheid werkt ook door in de mondelinge communicatie, wil ze duidelijk maken. Als je haar hoort, zou je dat niet zeggen. Ze praat honderduit over haar leven en formuleert heldere zinnen. Geen jargon, geen wolligheid, maar klare taal. Haar probleem zit ’m in wat ze níét zegt. En de angst voor een woordenstrijd. Vandaar dat ze soms de joker inzet: dan zegt ze sorry, terwijl dat helemaal niet nodig is. Als je woordenschat beperkt is, sta je snel met de mond vol tanden.

Bij leraren kwam ik goed uit mijn woorden. Misschien maakten ze zich daardoor geen zorgen

Vroeger had ze daar meer last van dan nu. Dankzij vele lessen en hulp van een taalmaatje (een vrijwilliger die laaggeletterden coacht) kroop ze uit haar schulp. Als Taalambassadeur van de Stichting Lezen & Schrijven spoort ze nu ook anderen daartoe aan. Er zijn 2,5 miljoen Nederlanders van zestien jaar en ouder die niet kunnen lezen, schrijven of rekenen op het eindniveau van vmbo of mbo-2/3. Voor hen zijn activiteiten als reizen met het openbaar vervoer, verkeersborden volgen, formulieren invullen en het lezen van bijsluiters een dagelijkse last.

Doen alsof

Van Leerdam had de pech dat een chronische ziekte opspeelde toen zij in groep 4 zat. Ze liep toen een forse achterstand op, kon die niet meer inhalen en moest naar een speciale school. Iedereen stroomde daar op zijn eigen niveau in. Daar werd ze de vergeten leerling. „We kregen een boek, een schrift, en dat was het dan. Individueel onderwijs betekende daar vooral: niet klassikaal. Er werd niet echt getoetst. Ik wist niet wat ik moest doen. Ik hoefde ook nooit hardop te lezen. Als we voor onszelf moesten lezen, deed ik vaak alsof. Wat ik kon, deed ik. Wat niet per se hoefde, deed ik niet. Bij leraren kwam ik goed uit mijn woorden. Misschien maakten ze zich daardoor geen zorgen. Pas toen ik naar de middelbare school ging viel op hoe slecht ik in lezen en schrijven was.”

Op het lbo, de praktisch georiënteerde voorloper van het vmbo, liep ze haar taalachterstand nauwelijks in. In haar baan als schoenmaker ondervond ze daar ook nog niet de gevolgen van. Ze leerde steunzolen en ander medisch schoeisel maken, een ambacht waar ze goed in werd. Maar de arbeidsomstandigheden begonnen haar tegen te staan. Overal stof, schoensmeer en lijm. Altijd werkkleding aan. Lawaai. Als veertiger doorliep ze daarom de mbo-opleiding Sociaal Pedagogisch Werk (SPW) en stroomde daarna door naar Sociaal Pedagogische Hulpverlening (SPH), een hbo-opleiding.

„SPW lukte nog, dat was praktijkgericht. Maar bij SPH kom je er niet met twee, drie bladzijden lezen per dag. Ik belde de blindenbieb en vroeg of ze mijn studieboeken wilden inspreken. Dat wilden ze niet. Maar ik ben blind voor woorden, zei ik toen. Vervolgens hebben ze toch een aantal studieboeken ingesproken. Voor schriftelijke opdrachten kreeg ik extra tijd.”

 

Lees hier het hele artikel